Posts tonen met het label Ninove. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Ninove. Alle posts tonen

zondag 19 april 2009

De twijnster

zaterdag 21 februari 2009

carne vale

wortelmannetje te Ninove

De winter in de laatste rechte lijn; nog een paar stuiptrekkingen alvorens de lente haar intrede doet. En in het zog van de barre wintertijd ziet het feest der gekke gezichten het daglicht. Een moment waarop deftige zakenlui en hardwerkende arbeiders hun werkplunje aan de kant schuiven en zich in een kleurrijk kostuum rijgen, hun dagelijks masker afzetten en hun ware gelaat aan de wereld tonen.

Carnaval is een gekend fenomeen in onze streken, maar zoals zoveel volksfeesten is de essentie van dit alles verdwenen. Mensen zijn niet meer geneigd om die eeuwenoude tradities in vraag te stellen, hebben geen nood meer om de oorsprong van onze gewoontes te kennen. Wij hebben het altijd zo gekend, het ís zo en het zal altijd zo zijn…maar waarom?

Het is belangrijk om te weten wat er in het verleden ligt, zodat je een betere kijk krijgt op het heden. Ook carnaval ligt ergens verscholen in de annalen van de 16e eeuw. In een tijd waar de katholieke kerk het steeds moeilijker kreeg en het protestantisme de kop opstak, moest elke ziel gered worden van de ondergang. Anders gezegd, de katholieke kerk kon maar beter haar strenge regels wat versoepelen of ze was gedoemd tot een stille dood.

Tot aan de eeuw van de Reformatie waren katholieken gebonden aan strenge vastenregels. Tijdens die periodes van onthouding was het verboden dieren van het land te eten; dus geen vlees, maar ook eieren, melk en afgeleiden zoals boter en kaas waren uit den boze. Men at vooral brood, gedroogde groenten, en het vlees werd vervangen door vis. Bovendien mocht men slechts een keer per dag eten wanneer er gevast werd.

En het zou allemaal nog meevallen, ware het niet dat er tot het einde van de 15e eeuw zoveel vastendagen waren, dat het de mensen uiteindelijk de keel uithing om zoveel vis door hun strot te proppen. Er was natuurlijk de veertigdagen-vastentijd zoals die vandaag nog bestaat tussen Aswoensdag en Pasen. Daarnaast moest er ook elke woensdag en vrijdag worden gevast. En alsof dit niet voldoende was, waren er ook nog eens vier vastendagen aan het begin van elk seizoen (toepasselijk de Quatertempers genoemd) en drie vastendagen rond Hemelvaartdag. Als je dit alles optelt, kom je op ongeveer 160 dagen. Met andere woorden, bijna de helft van het jaar dienden mensen te vasten.

De katholieke kerk verloor in de 16e eeuw zoveel aanhangers, dat ze verplicht werd de regels te versoepelen. Ze trof heel wat maatregelen, ook met betrekking tot de vastenregels. Zo zou men vanaf de 16e eeuw tijdens vastendagen opnieuw eieren en boter mogen eten. Daarnaast zou ze ook een dag voorzien waarop de bevolking echte vreetfestijnen organiseerde: mardi gras, vette dinsdag, beter gekend als het feest van carnaval.

Het carnaval was dus een katholiek feest en betekende zoveel als “vaarwel aan het vlees”: carne vale. Na deze dag zou het veertig dagen duren alvorens mensen opnieuw vlees mochten eten. En dus gingen ze tijdens carnaval nog eens goed uit de bol, trokken kleurrijke kledij aan en zetten een vrolijk masker op alvorens die veertig dagen van ingetogenheid en inkeer aan te vatten.

Carnaval was niet alleen feestvieren, maar ook een beetje de wereld op zijn kop zetten. Zo werd de gekste man van de stad verkozen tot prins carnaval. Deze man stond dan voor een dag aan het hoofd van de stad, terwijl de burgemeester tot sukkelaar werd gedegradeerd. Ook in kloosters en abdijen werden de rollen omgedraaid; zo werd de abt een novice en had de jongste novice het die dag voor het zeggen.

Vandaag zie je nog steeds dat de rollen tijdens het carnavalfeest worden omgedraaid. Aan het begin overhandigt de burgemeester symbolisch de sleutels van de stad aan prins carnaval. Eens het feest beëindigd, krijgt de burgemeester de sleutels terug.

Het weze duidelijk dat carnaval vandaag zijn religieuze connotatie is kwijtgeraakt. Voor de bevolking is het folklore, een traditie waarbij men een aantal dagen uit de bol gaat, men in gekke kleren door de stad paradeert en pintjes drinkt tot men erbij neervalt. Het wereldlijke heeft zich het religieuze eigen gemaakt. Maar men mag niet vergeten dat dit feest is ontstaan in een poging van de katholieke kerk om haar schaapjes van de verdoemenis te redden. Die schaapjes, die nu feesten als beesten…deze religieuze gemeenschap kan hen gestolen worden.

woensdag 21 januari 2009

toen zag ik het licht...

Hier brandt de lamp...weliswaar minder intens dan eerst gedacht...vergis u niet beste aanschouwer dezer lichtgever...laat u niet misleiden door de oplichters...het sombere lampkapje is degene die gezelligheid uitstraalt...een sfeerbrenger in 't Rare Gebeuren, een daarom niet minder bizar etablissementje aan het Ninoofse Oudstrijdersplein.

zondag 18 januari 2009

kruisbestuiving

abdijsite Ninove

woensdag 3 december 2008

voetboog

Een mens stelt zich soms vragen bij het lezen van bepaalde informatie. En wanneer je dan een antwoord vindt, ben je nog zo blij…enfin sprekend voor mezelf dan toch.

Ik verdiep me al enige tijd in het verhaal rond Ninove…wat een enige tijd. Leuk om weten is dat deze stad samen met Aalst en Geraardsbergen – alle drie slechts doodgewone nederzettingen in die tijd – even na de verdeling van het rijk van Karel de Grote (remember Verdun 843 – aaah die humaniorajaren!) uiteindelijk aan Oostfrankische zijde terecht komt.

De grens tussen Oost- en West-Francië bevindt zich na wat onderlinge schermutselingen aan de Schelde. In de 11e eeuw gaat de graaf van Vlaanderen op zoek naar lebensraum in het oosten. Hij verovert de streek tussen Schelde en Dender en zorgt op die manier dat de drie eerder genoemde Dendersteden (toen wel al die naam waardig) plots de grens van het graafschap uitmaken.

Wie grensstad zegt, denkt verdediging; en zo geschiedde dat het trio van het Land van Aelst als verdedigingsgordel tegen het Hertogdom Brabant en het Graafschap Henegouwen werden ingezet.

Een stad zoals Ninove werd met hand en tand verdedigd door een groot deel van de bevolking, een handvol ridders en twee boogschuttergildes. Deze laatste waren uitermate belangrijk vermits zij als een soort artillerie fungeerden vóór de uitvinding van het kanon rond 1350. De twee gildes onderscheidden zich van elkaar door het soort boog dat ze gebruikten. In Ninove (zoals in zo vele steden) had je de Sint-Sebastiaansgilde die de handboog hanteerde en de Sint-Jorisgilde die op haar beurt de voetboog in de aanslag hield.

Ik dacht me te herinneren dat de gilde van Sint-Joris de kruisboog bespeelde, maar systematisch schotelden de teksten mij de voetboog voor. Me het brein pijnigend, stelde ik me al voor hoe soldaten in de middeleeuwen een boog probeerden te bewerken aan de hand van hun voeten (of was het aan de voet van hun handen…enfin soit).

Na ettelijke bladzijden oude boekskes en soms achterhaalde geschiedkundige literatuur stelde ik mijn idee op de proef en tikte ik vol vertrouwen “voetboog” in de googlezoekervindmachine. En tot mijn verbazing moest ik m’n brein gelijk geven…en dan ook weer niet.

Een voetboog is wel degelijk een kruisboog, maar eentje die niet met de voeten beschoten wordt. De spankracht van dat ding is zo immens (zo’n 350 kilo) dat je een soort katrol nodig hebt om de zaak in spanning te brengen. En om dit te realiseren dien je je voet in de daartoe voorziene voetbeugel te plaatsen…al goed dat ik in de middeleeuwen geen voetboogschutter was (wat was ik dan wel? Moet verder onderzocht worden).

Voor de geschiedenis geef ik nog mee dat de voetboogschutters van groot belang waren voor de verdediging van een stad. Zij konden niet alleen heel precies mikken, maar dreven, door de immense spankracht op hun bogen, de pijlen door het harnas van de ridders heen, dit in tegenstelling tot de handboogschutters wier pijlen er gewoon op afketsten.

Met dank aan hen die mijn brein in het ongelijk stellen…I hate being right ;-)

woensdag 19 november 2008

Jacobus a Daventria

Deventer ca. 1560 (Jacob van Deventer)

Dinsdagavond, kwart voor acht. In de polyvalente zaal van de stedelijke bibliotheek van Ninove zitten al een twintigtal mensen ongeduldig op de voorstelling van drie Deventerkaarten te wachten. De heemkundige kring Land Van Aalst brengt deze week ter gelegenheid van haar zestigste verjaardag vijf kaarten van de steden van het Land van Aalst in kleur uit. Het zijn voor Ninove en Geraardsbergen zowel de minuut- als de netkaarten, voor Aalst enkel de netkaart.

Ik zet me keurig neer op de hoek van de derde rij. Achter mij staan tot mijn grote verbazing nog bijna 200 lege stoelen rij aan rij. Ik heb een licht vermoeden dat amper een kwart ervan zal gevuld worden. Maar groot is mijn verbazing wanneer twintig minuten later niet alleen alle stoelen bezeten zijn, maar ook de zijgangen en de achterzijde van de zaal volgepropt staan met enthousiaste toehoorders. Bijna één procent van de Ninoofse bevolking staat hier binnen. Een hele prestatie voor een man die ruim 450 jaar geleden onze gebieden doorkruiste.

Jacob Roelofs van Deventer [dEEventer]: voor velen een nobele onbekende. Maar wanneer je de geschiedenis over onze lage landen induikt, vind je zijn naam meermaals terug onder de plattegrond van een of andere stad.

Telkens wanneer ik een van zijn kaarten onder ogen krijg, ben ik dankbaar. Blij dat deze man er voor heeft gezorgd dat we ons vandaag kunnen inbeelden hoe een groot aantal steden in onze contreien er in de 16e eeuw moeten hebben uitgezien.

Deventer IJsselfront 1550

Hoewel hij door het leven ging als Jacobus a Daventria, is hij waarschijnlijk in Kampen (Overijssel) geboren en verhuisde hij pas later naar Deventer. In 1520 schreef hij zich in aan de Leuvense Universiteit alwaar hij medicijnen en wiskunde studeerde. Daarna deed hij er nog een master na master in de cartografie bovenop.

Al snel gaat hij zich toeleggen op het tekenen van kaarten. Zo ontwerpt hij in de jaren 30 van de 16e eeuw o.a. overzichtskaarten van de vijf Nederlandse gewesten. De Nederlanden maken op dat ogenblik deel uit van het Habsburgse keizerrijk. Al snel benoemt Karel V hem tot “keizerlijk geograaf”; wanneer Filips II het van zijn vader overneemt, wordt Jacobs titel gewijzigd naar “koninklijk geograaf”.

Uit tactische en militaire overwegingen, vraagt Filips II aan Jacob van Deventer om alle steden van de Spaanse Nederlanden in kaart te brengen. Zo kan hij indien nodig (en dat zal later ook blijken) opstandige steden beter belegeren.

Spaanse Nederlanden 1572

Van Deventer maakt gebruik van driehoeksmeting en parallelprojectie aan de hand van een vizierkompas. Zijn plattegronden zijn meetkundig correct en vertonen geen afwijkingen in de schaal. Wanneer je zijn kaarten van dichtbij bekijkt, kan je zien dat hij per x aantal stappen een puntje zet. Op de plaats waar de weg van richting verandert, plaats hij een dikkere stip; dit geeft zijn meetpunt aan.

Op die manier werkt hij vanuit zijn woonplaats Mechelen gedurende 15 jaar aan bijna 300 kaarten. Eerst maakt hij een klad of minuutkaart, daarna zal hij een netkaart vervaardigen. De puntjes op de minuutkaarten zijn doorprikt om de straten correct op de netkaarten over te brengen. Op de kaarten kan je de omwalling, de waterwegen en de straten van de stad goed onderscheiden. Daarnaast zijn de belangrijkste gebouwen duidelijk op de kaart aangebracht.

Tijdens de godsdienstperikelen van de 16e eeuw vlucht van Deventer hals over kop naar Keulen. Hij neemt al zijn materiaal mee. De Spanjaarden vinden dit alles behalve spannend. Wanneer van Deventer in 1576 sterft, doen ze er alles aan om de kaarten te recupereren.

Ze slagen uiteindelijk in hun opzet en gedurende drie eeuwen verdwijnen de kaarten spoorloos. Tot ze in 1859 opnieuw opduiken en te koop worden aangeboden. De kaarten in kwestie zijn de minuutkaarten van Jacob van Deventer. Ze worden aangekocht door een zekere Wopke Eeckhof, stadsarchivaris van Leeuwarden, die precies weet wat de kaarten inhouden. Hij wil ze verkopen aan de hoogstbiedende.

Op die manier belanden ze uiteindelijk deels in de Rijksarchieven van de Nederlandse Provincies, deels in de Koninklijke Bibliotheek Albertina in Brussel. Daar zijn ze vandaag nog steeds te vinden. De netkaarten zijn teruggevonden in de Biblioteca Nacional de Madrid. Slechts twee van de drie boekbanden zijn nog te consulteren; een derde ging spijtig genoeg verloren.

Ik hou van de geschiedenis, ik koester het verleden; daar staat onze toekomst geschreven.