donderdag 2 september 2010
woensdag 3 december 2008
voetboog
Een mens stelt zich soms vragen bij het lezen van bepaalde informatie. En wanneer je dan een antwoord vindt, ben je nog zo blij…enfin sprekend voor mezelf dan toch.Ik verdiep me al enige tijd in het verhaal rond Ninove…wat een enige tijd. Leuk om weten is dat deze stad samen met Aalst en Geraardsbergen – alle drie slechts doodgewone nederzettingen in die tijd – even na de verdeling van het rijk van Karel de Grote (remember Verdun 843 – aaah die humaniorajaren!) uiteindelijk aan Oostfrankische zijde terecht komt.
De grens tussen Oost- en West-Francië bevindt zich na wat onderlinge schermutselingen aan de Schelde. In de 11e eeuw gaat de graaf van Vlaanderen op zoek naar lebensraum in het oosten. Hij verovert de streek tussen Schelde en Dender en zorgt op die manier dat de drie eerder genoemde Dendersteden (toen wel al die naam waardig) plots de grens van het graafschap uitmaken.
Wie grensstad zegt, denkt verdediging; en zo geschiedde dat het trio van het Land van Aelst als verdedigingsgordel tegen het Hertogdom Brabant en het Graafschap Henegouwen werden ingezet.
Een stad zoals Ninove werd met hand en tand verdedigd door een groot deel van de bevolking, een handvol ridders en twee boogschuttergildes. Deze laatste waren uitermate belangrijk vermits zij als een soort artillerie fungeerden vóór de uitvinding van het kanon rond 1350. De twee gildes onderscheidden zich van elkaar door het soort boog dat ze gebruikten. In Ninove (zoals in zo vele steden) had je de Sint-Sebastiaansgilde die de handboog hanteerde en de Sint-Jorisgilde die op haar beurt de voetboog in de aanslag hield.
Ik dacht me te herinneren dat de gilde van Sint-Joris de kruisboog bespeelde, maar systematisch schotelden de teksten mij de voetboog voor. Me het brein pijnigend, stelde ik me al voor hoe soldaten in de middeleeuwen een boog probeerden te bewerken aan de hand van hun voeten (of was het aan de voet van hun handen…enfin soit).
Na ettelijke bladzijden oude boekskes en soms achterhaalde geschiedkundige literatuur stelde ik mijn idee op de proef en tikte ik vol vertrouwen “voetboog” in de googlezoekervindmachine. En tot mijn verbazing moest ik m’n brein gelijk geven…en dan ook weer niet.
Een voetboog is wel degelijk een kruisboog, maar eentje die niet met de voeten beschoten wordt. De spankracht van dat ding is zo immens (zo’n 350 kilo) dat je een soort katrol nodig hebt om de zaak in spanning te brengen. En om dit te realiseren dien je je voet in de daartoe voorziene voetbeugel te plaatsen…al goed dat ik in de middeleeuwen geen voetboogschutter was (wat was ik dan wel? Moet verder onderzocht worden).Voor de geschiedenis geef ik nog mee dat de voetboogschutters van groot belang waren voor de verdediging van een stad. Zij konden niet alleen heel precies mikken, maar dreven, door de immense spankracht op hun bogen, de pijlen door het harnas van de ridders heen, dit in tegenstelling tot de handboogschutters wier pijlen er gewoon op afketsten.
Met dank aan hen die mijn brein in het ongelijk stellen…I hate being right ;-)
woensdag 19 november 2008
Jacobus a Daventria
Ik zet me keurig neer op de hoek van de derde rij. Achter mij staan tot mijn grote verbazing nog bijna 200 lege stoelen rij aan rij. Ik heb een licht vermoeden dat amper een kwart ervan zal gevuld worden. Maar groot is mijn verbazing wanneer twintig minuten later niet alleen alle stoelen bezeten zijn, maar ook de zijgangen en de achterzijde van de zaal volgepropt staan met enthousiaste toehoorders. Bijna één procent van de Ninoofse bevolking staat hier binnen. Een hele prestatie voor een man die ruim 450 jaar geleden onze gebieden doorkruiste.
Jacob Roelofs van Deventer [dEEventer]: voor velen een nobele onbekende. Maar wanneer je de geschiedenis over onze lage landen induikt, vind je zijn naam meermaals terug onder de plattegrond van een of andere stad.
Telkens wanneer ik een van zijn kaarten onder ogen krijg, ben ik dankbaar. Blij dat deze man er voor heeft gezorgd dat we ons vandaag kunnen inbeelden hoe een groot aantal steden in onze contreien er in de 16e eeuw moeten hebben uitgezien.
Hoewel hij door het leven ging als Jacobus a Daventria, is hij waarschijnlijk in Kampen (Overijssel) geboren en verhuisde hij pas later naar Deventer. In 1520 schreef hij zich in aan de Leuvense Universiteit alwaar hij medicijnen en wiskunde studeerde. Daarna deed hij er nog een master na master in de cartografie bovenop.
Al snel gaat hij zich toeleggen op het tekenen van kaarten. Zo ontwerpt hij in de jaren 30 van de 16e eeuw o.a. overzichtskaarten van de vijf Nederlandse gewesten. De Nederlanden maken op dat ogenblik deel uit van het Habsburgse keizerrijk. Al snel benoemt Karel V hem tot “keizerlijk geograaf”; wanneer Filips II het van zijn vader overneemt, wordt Jacobs titel gewijzigd naar “koninklijk geograaf”.
Uit tactische en militaire overwegingen, vraagt Filips II aan Jacob van Deventer om alle steden van de Spaanse Nederlanden in kaart te brengen. Zo kan hij indien nodig (en dat zal later ook blijken) opstandige steden beter belegeren.
Spaanse Nederlanden 1572Van Deventer maakt gebruik van driehoeksmeting en parallelprojectie aan de hand van een vizierkompas. Zijn plattegronden zijn meetkundig correct en vertonen geen afwijkingen in de schaal. Wanneer je zijn kaarten van dichtbij bekijkt, kan je zien dat hij per x aantal stappen een puntje zet. Op de plaats waar de weg van richting verandert, plaats hij een dikkere stip; dit geeft zijn meetpunt aan.
Op die manier werkt hij vanuit zijn woonplaats Mechelen gedurende 15 jaar aan bijna 300 kaarten. Eerst maakt hij een klad of minuutkaart, daarna zal hij een netkaart vervaardigen. De puntjes op de minuutkaarten zijn doorprikt om de straten correct op de netkaarten over te brengen. Op de kaarten kan je de omwalling, de waterwegen en de straten van de stad goed onderscheiden. Daarnaast zijn de belangrijkste gebouwen duidelijk op de kaart aangebracht.
Tijdens de godsdienstperikelen van de 16e eeuw vlucht van Deventer hals over kop naar Keulen. Hij neemt al zijn materiaal mee. De Spanjaarden vinden dit alles behalve spannend. Wanneer van Deventer in 1576 sterft, doen ze er alles aan om de kaarten te recupereren.
Ze slagen uiteindelijk in hun opzet en gedurende drie eeuwen verdwijnen de kaarten spoorloos. Tot ze in 1859 opnieuw opduiken en te koop worden aangeboden. De kaarten in kwestie zijn de minuutkaarten van Jacob van Deventer. Ze worden aangekocht door een zekere Wopke Eeckhof, stadsarchivaris van Leeuwarden, die precies weet wat de kaarten inhouden. Hij wil ze verkopen aan de hoogstbiedende.
Op die manier belanden ze uiteindelijk deels in de Rijksarchieven van de Nederlandse Provincies, deels in de Koninklijke Bibliotheek Albertina in Brussel. Daar zijn ze vandaag nog steeds te vinden. De netkaarten zijn teruggevonden in de Biblioteca Nacional de Madrid. Slechts twee van de drie boekbanden zijn nog te consulteren; een derde ging spijtig genoeg verloren.
Ik hou van de geschiedenis, ik koester het verleden; daar staat onze toekomst geschreven.


